Nederlands / English
Zoeken
Werken bij CentERdata

Resultaten

Derde kwartaal 2010

Op 13 oktober 2010 is het persbericht uitgebracht over de resultaten van de Tilburg Consumer Outlook Monitor van het derde kwartaal 2010. Hieronder vindt u een uitgebreid overzicht van de belangrijkste resultaten.

 

Box 1: De Ecomotion-index

 

De Ecomotion-index geeft per respondent het netto-verschil aan tussen de positieve en negatieve emoties die consumenten ervaren. Een waarde van -100 weerspiegelt dat de consument alleen negatieve en geen positieve emoties ervaart bij de gedachte aan de eigen financiële toekomst, bij een waarde van 100 ervaart de consument uitsluitend positieve en geen negatieve emoties. Ieder kwartaal wordt de Ecomotion-index per consument berekend en vervolgens wordt de gemiddelde score voor Nederland berekend.

 

 

 

Figuur 1: Ecomotion-index

 

 fig1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor het eerst sinds de Emotiebarometer wordt afgenomen is de Ecomotion-index gedaald, van 34,3 in juni 2010 (Q2) naar 33,4 in september (2010, Q3) (Figuur 1). Daarmee ligt de index ongeveer op het niveau van een half jaar geleden. De negatieve emoties (vooral: pessimisme) worden sterker en de positieve emoties (vooral: vrolijkheid) zwakker. Ruim een kwart van de Nederlanders scoort negatief op de index: zij ervaren meer negatieve dan positieve emoties als zij over hun financiële toekomst denken. Al in het vorige kwartaal zagen we dat het herstel niet doorzette, maar nu zakt de conjunctuur vanuit consumentenoogpunt gezien dus zelfs iets terug. De kabinetsplannen zijn hier waarschijnlijk debet aan.

 

 

 

 

Figuur 2: Ecomotion-index voor en na Prinsjesdag uitgesplitst naar stemgedrag

 

fig2 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

N.B. Stemgedrag betreft partijkeuze bij Tweede Kamer verkiezingen, juni 2010

 

 

 

Uit Figuur 2 blijkt dat de daling van de Economotion-index volledig is toe te schrijven aan de periode na Prinsjesdag[1]. De Ecomotion-index voor Prinsjesdag ligt op 35,8, dat is zelfs nog iets hoger dan vorig kwartaal. Na Prinsjesdag valt de index scherp terug, naar 27,8, bijna tot het niveau van een jaar geleden. Met het bekendmaken van de nieuwe kabinetsplannen denken Nederlandse huishoudens dat hun persoonlijke financiële situatie erop achteruit zal gaan en dit beïnvloedt hun economische emoties negatief. De daling na Prinsjesdag treedt voor CDA-stemmers nauwelijks op, maar is vrij sterk voor VVD- en PvdA-stemmers. Voor PVV-stemmers is de daling kleiner dan gemiddeld, maar dat is te verklaren door het feit dat PVV-stemmers al weinig positief waren.
 
De verschillen tussen Nederlanders in het “Prinsjesdag-effect” zijn slecht te verklaren uit de effecten op koopkrachtverlies zoals die er volgens CPB-berekeningen zullen zijn in 2011. Zo geldt de daling ook voor werkenden welke er volgens de prognoses niet op achteruit zullen gaan volgend jaar.
 
Als de verslechterde gevoelens duurzaam blijken dan is de conjunctuur vanuit de Nederlandse consument weer terug bij het niveau van een jaar geleden en is het herstel ongedaan gemaakt. Gezien het feit dat het komend kabinet nog eens € 18 miljoen wil gaan bezuinigen, is dit niet ondenkbaar. Anderzijds kan het ook zijn dat huishoudens zich hiervan al enigszins bewust zijn en dit al gedeeltelijk in het “Prinsjesdag-effect” is opgenomen.

 


 

Figuur 3: Aankoopplannen (kans op aankoop in de komende 12 maanden)

 

fig3 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De aankoopplannen voor duurzame goederen trekken nog nauwelijks aan, maar vallen ook niet verder terug (Figuur 3). Ten opzichte van vorig kwartaal schatten Nederlanders de kans om een huis, interieur (woninginrichting) en apparatuur (wasmachine, televisie, etc.) te gaan kopen iets hoger in. Ten opzichte van een jaar geleden liggen de aankoopplannen nog wel op een lager niveau. Aankoopintenties en daadwerkelijke aankopen volgen gelijke tred.
 
Dat Nederlanders ondanks verslechterde gevoelens over hun financiële toekomst toch iets meer willen gaan uitgeven, komt mogelijk doordat zij in het afgelopen jaar al vrij veel aankopen hebben uitgesteld. Wel is het zo dat er een samenhang bestaat tussen de Ecomotion-index en aankoopplannen: Nederlanders die laag scoren op de index hebben minder aankoopplannen en vice versa. Deze samenhang is het sterkst voor de aankoop van woninginrichting en vakanties. De daling van de Ecomotion-index is zodoende geen goed teken voor de binnenlandse consumptie.

 

Figuur 4: Ecomotion-index naar leeftijd

fig4 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Er bestaan substantiële verschillen in de economische emoties van de verschillende generaties in Nederland. Jonge Nederlanders tot 35 jaar kijken het meest positief tegen hun financiële toekomst aan. De groep tussen 45 en 54 is het meest negatief, zij hebben de meest negatieve gevoelens van alle leeftijdsgroepen. De 65+-ers nemen qua emoties een middenpositie in tussen de jongeren enerzijds en de middengroep tussen 35 en 64 jaar anderzijds. Verder zijn de gevoelens van senioren positiever dan een half jaar geleden, terwijl alle andere leeftijdsgroepen somberder zijn geworden. Een mogelijke verklaring voor het atypische verloop van de curve voor 65+-ers is dat ouderen het minst materialistisch zijn, zij hechten het minst aan bezit en luxe. Zij voelen zich daardoor wellicht minder emotioneel geraakt door op handen zijnde veranderingen in regeringsbeleid en mogelijke inkomensverslechtering.

 

Figuur 5: Ecomotion-index naar opleidingsniveau

 

fig5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dat Nederlanders verschillen in hun emoties ten aanzien van hun financiële toekomst hangt ook samen met opleidingsachtergrond (Figuur 5). De verschillen tussen opleidingsgroepen is zelfs hoger dan tussen leeftijdsgroepen. Nederlanders die hoger onderwijs genoten scoren duidelijk hoger dan de rest. Mensen met een HAVO/VWO-opleiding (vaak nog studerende jongeren) nemen een middenpositie in tussen hoogopgeleiden enerzijds en mensen met een (V)MBO of basisschoolopleiding anderzijds. Ten opzichte van vorig kwartaal zien we een daling van de index voor HBO’ers en HAVO/VWO’ers.

 

Figuur 6: Financiële hulp en baanverlies

 

fig6 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 6 geeft twee aanvullende conjunctuurindicatoren weer:
- De gepercipieerde kans op baanverlies in de komende 12 maanden; deze is in het afgelopen kwartaal licht gestegen van 14,5% naar 15,0%.
- Het percentage Nederlanders dat in de afgelopen 3 maanden financiële hulp uit zijn naaste omgeving kreeg ter grootte van tenminste een weekinkomen; Ook dit percentage steeg in de afgelopen drie maanden, van 6,1% naar 7,8%.
Beide indicatoren geven aan dat er voor Nederlandse huishoudens geen tekenen van economisch herstel zijn waar te nemen.

 

 

 

 

Onderzoeksverantwoording

 

Periode van dataverzameling: 1 - 30 september 2010

Steekproef
2.706 LISS panelleden van 16 jaar en ouder
Dataverzamelingsmethode
Internetvragenlijst
Veldwerkorganisatie
Responspercentage
CentERdata
71%
 
De panelleden die niet respondeerden werden tweemaal per e-mail verzocht de vragenlijst alsnog in te vullen

 
Omschrijving Steekproef:

Geslacht
49% man
51% vrouw
 
Leeftijd
 
13% 16 - 24 jaar
15% 25 - 34 jaar
18% 35 - 44 jaar
17% 45 - 54 jaar
19% 55 - 64 jaar
18% 65 jaar en ouder
 
Opleiding
 
 
 
 
 
Inkomen (bruto per maand)
 
11% basisschool
25 % vmbo
11% havo/vwo
23% mbo
22% hbo
8% universiteit
 
28% €1000 of minder
11% €1001-€1500
11% €1501-€2000
14% €2001-€2500
36% meer dan €2501

Resultaten voorgaande kwartalen

 

Vierde kwartaal 2010

 

 

Derde kwartaal 2010

opvallende dip in consumentenemoties

 

 

 

Tweede kwartaal 2010

 

 

 

 

Eerste kwartaal 2010

 

 

 

[1] 1888 respondenten vulden de vragenlijst voor Prinsjesdag in en 888 na Prinsjesdag. De datum van invullen hangt niet samen met leeftijd, geslacht, regio of opleidingsniveau.
 
 

 


      Disclaimer    Sitemap    Route    Algemene voorwaarden