Arbeidsmarkt Arbeidsmarktmodel Mimosa
Structureel microsimulatiemodel van de Nederlandse arbeidsmarkt Contactpersoon: Jan Nelissen De huidige situatie met betrekking tot arbeidsmarktonderzoek is veelal dat per arbeidsmarktprobleem, beleidsevaluatie of beleidsvoorbereiding een ad-hoconderzoek wordt opgestart. Door de inherente beperkingen van dergelijke onderzoeken, die bovendien vaak gebukt gaan onder hoge tijdsdruk, blijven deze te vaak steken op een betrekkelijk laag ambitieniveau. Dit is aanleiding geweest voor CentER Applied Research, de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA) en de Raad voor Werk en Inkomen (RWI) om een integraal model voor de Nederlandse arbeidsmarkt te ontwerpen en te bouwen. Met dat model kan het arbeidsmarktonderzoek in Nederland naar een hoger plan getild worden. Stichting Instituut GAK is een belangrijke financier van dit onderzoek, dat in september 2004 werd afgerond. Het ontwikkelde arbeidsmarktmodel is een model op microniveau (persoonsniveau), dat gebaseerd is op transities van individuen op de arbeidsmarkt in ruime zin (werken, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, pensioen, scholing, zorg). In het model staat de participatiebeslissing van individuen centraal, waarbij rekening gehouden wordt met kenmerken van het individu, kenmerken van het huishouden, wet- en regelgeving, en conjunctuureffecten. Het model richt zich specifiek op de arbeidsmarkt, met als focus het individu in relatie tot zijn omgeving. Daarmee is het een heel ander soort model dan bijvoorbeeld de CPB-modellen. Het vormt daarop een welkome aanvulling, die inzichten geeft in het waarom van bepaalde ontwikkelingen.
Het prototype gaat door het leven onder de naam Mimosa, MicroModel Strategisch Arbeidsmarktonderzoek. Uiteraard vormt Mimosa slechts een eerste, zij het waardevolle aanzet tot een integraal arbeidsmarktmodel. Doelstelling is dan ook Mimosa de komende jaren in interactie met beleidsmakers door te ontwikkelen tot een veelzijdig en hoogwaardig instrument, waarmee snel en gefundeerd uitspraken gedaan kunnen worden over beleidsvoornemens en beleidseffecten op het gebied van de arbeidsmarktproblematiek in ruime zin.
Rapporten- Naar een integraal micro-model voor arbeidsmarktbeleid. Verslag van de Mimosa pilotstudy
- Nelissen, J.H.M., P.F. Fontein and A.H.O. van Soest (2005) The impact of various policy measures on employment in the Netherlands, The Japanese Journal of Social Security Policy, Vol. 4 (1), p. 17-32.

MIRROR: Arbeidsmarktramingen voor het Primair Onderwijs (PO), Voortgezet Onderwijs (VO) en Beroeps- en Volwasseneneducatie (BVE)Een microsimulatiemodel voor de arbeidsmarkt onderwijsgevenden primair en voortgezet onderwijs. Contactpersoon: Peter Fontein Voor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OC&W) is CentERdata betrokken bij het opstellen van de arbeidsmarktramingen voor het Primair Onderwijs (PO), Voortgezet Onderwijs (VO) en de Beroeps- en Volwassenen Educatie (BVE). Dit geschiedt in samenwerking met QDelft en Ecorys. Deze arbeidsmarktramingen beogen inzicht te verschaffen over het aanbod van personeel in de betreffende onderwijssectoren over een periode van 10 tot 15 jaar. Het gaat hier om leraren, directie, onderwijsondersteunend personeel en overig personeel. Daartoe is door de vanuit CentERdata betrokken onderzoekers in 2002 een microsimulatiemodel, genaamd Microsimulatie Rekenmodel Regionale Onderwijs Ramingen (MIRROR), ontwikkeld. Met deze techniek wordt optimaal gebruik gemaakt van de beschikbare data. Een belangrijk voordeel van microsimulatie is dat uitspraken gedaan kunnen worden op elk gewenst aggregatieniveau. Hierbij moet men dan niet alleen denken aan regio's, maar ook zijn uitspraken mogelijk op het niveau van subregio's, op het niveau van de grotere schoolbesturen in het PO en eventueel zelfs op het niveau van niet al te kleine scholen in het VO. Dat vergroot uiteraard in grote mate de toepassingsmogelijkheden van het model. In 2005 is MIRROR uitgebreid met een financiële component: de loonkosten worden zeer gedetailleerd op persoonsniveau gemodelleerd. Daardoor is het mogelijk tevens de financiële gevolgen van de vergrijzing en eventuele tekorten in voornoemde onderwijssectoren in beeld te brengen. Zo is bijvoorbeeld met behulp van deze financiële module inzicht verkregen in de financiële gevolgen van een aantal voorstellen die minister Plasterk naar aanleiding van het rapport van de Commissie Rinnooy Kan gedaan heeft, zoals verkorting salarisschalen (minder periodieken) en een andere personeelsopbouw. Publicaties: - Fontein, P., J. Nelissen en K. de Vos (2002), Model Microsimulatie Primair en Voortgezet Onderwijs, Ministerie van OCenW / CentER Applied Research.
- De toekomstige arbeidsmarkt voor onderwijspersoneel tot 2015, Arbeidsmarktprognoses voor primair onderwijs, voortgezet onderwijs en bve-sector, CentERdata, ECORYS, QQQ Delft, juni 2006.

Een vergelijking van de lonen bij de overheid met de lonen in de marktsectorOp grond van administratieve bestanden is vastgesteld wat het inkomensverschil is tussen individuen met gelijke karakteristieken werkend bij de overheid en individuen werkend in het bedrijfsleven. Contactpersoon: Klaas de Vos De overheid voert jaarlijks CAO-onderhandelingen met diverse partijen. Kennis van de beloningsverschillen tussen overheid en niet-overheid is daarbij van groot belang. Vandaar dat het ministerie van Binnenlandse Zaken CentER Applied Research benaderd heeft om de bestaande beloningsverschillen en de ontwikkelingen daarin te analyseren. Bij deze analyses wordt uitgebreid gebruikgemaakt van door het CBS verzamelde gegevensbestanden. De resultaten van het onderzoek worden intensief gebruikt binnen het ministerie en zijn onder meer terug te vinden in de jaarlijkse arbeidsmarktrapportages van het ministerie. Publicaties:- Alessie, R.J.M., A.W. Hoogendoorn (1999), Een vergelijking van de lonen bij de overheid met de lonen in de marktsector, CentER Applied Research.
- Hoogendoorn, A. (2001), Sectorale loonverschillen – een vergelijking van de lonen in de collectieve sector met de lonen in de marktsector, Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties, Den Haag.
Arbeidsmarktdynamiek van de overheidEen microsimulatiemodel waarmee beleidssimulaties kunnen worden uitgevoerd voor 17 overheidssectoren. Contactpersoon: Klaas de Vos Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor de hoofdlijnen van het beleid met betrekking tot het overheidspersoneel. Om dat beleid vorm te geven is het van belang dat het ministerie beschikt over inzicht in de relevante ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Een hulpmiddel om dit inzicht te verkrijgen is om gebruik te maken van prognosemodellen waarmee de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt voor overheidspersoneel worden voorspeld. Tot op heden maakte het ministerie daarbij gebruik van een betrekkelijk eenvoudig model met een relatief beperkte diepgang, het AOS-model. Het streven van het ministerie om te komen tot steeds betere ramingen op een steeds rijker detailniveau, evenals het streven van het ministerie om de effecten door te kunnen rekenen van een groter scala aan beleidsmaatregelen, heeft uiteindelijk geleid tot de beslissing een geheel nieuw prognosemodel voor de overheidsarbeidsmarkt te ontwikkelen. Een dergelijk model is inmiddels ontwikkeld en geschat door CentERdata. QQQ heeft het geïmplementeerd in een gebruikersvriendelijk simulatieprogramma. Het ontwikkelde model is door het ministerie “Apollo” gedoopt. Apollo bevat een aantal uitbreidingen/verbeteringen ten opzichte van het prognosemodel AOS. Zo wordt niet meer op geaggregeerd niveau gerekend, maar op het niveau van banen/uitkeringen. Daarnaast houdt Apollo rekening met meer persoons- en baankenmerken en worden de prognoses in de context van een bepaalde economische situatie berekend. Verder berekent Apollo in welke mate sectorale mobiliteit optreedt binnen de overheid en in welke mate de deeltijdfactor in een baan wordt uitgebreid of ingekrompen. Publicatie:- De Vos, K., Nelissen, J.H.M., Knoef, M.G. en Fontein, P.F. (2007), Arbeidsmarktdynamiek van de overheid, CentERdata, Tilburg.

Hoe scholing vorm te geven?Het belang van een wenkend perspectief bij scholing. Welke karakteristieken van scholing zijn bepalend bij de keus van een werknemer om aan scholing deel te nemen? Contactpersoon: Jan Nelissen Een van de doelstellingen van de Nederlandse overheid is het bevorderen van ‘een leven lang leren’. Het idee is dat wanneer werknemers zich blijven scholen, zij makkelijker opnieuw een baan zullen vinden als zij worden ontslagen en dat een beter geschoolde beroepsbevolking de groei van de economie bevordert. In de literatuur is inmiddels veel bekend over de scholingsbereidheid van verschillende groepen werknemers (zoals mannen, vrouwen en deeltijders). Onduidelijk is echter nog welke karakteristieken van scholing bepalend zijn bij de keus van een werknemer om aan die scholing deel te nemen. Deze kennis is van belang om scholing van werknemers te bevorderen. In dit onderzoek – in opdracht van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA) namens verschillende ministeries – is een zogenaamd stated preference-experiment uitgevoerd onder de medewerkers van een grote bank annex verzekeraar. In dit experiment kregen de werknemers hypothetische soorten scholing voorgelegd, waaruit zij een keuze moesten maken. Uit de gemaakte keuzes kan worden afgeleid dat met name de kosten van deelname (in tijd en geld) en de perspectieven na voltooiing bepalend zijn bij de keuze om deel te nemen. Publicaties:- Van Lomwel, A.G.C. en J.H.M. Nelissen (2003), Het belang van een wenkend perspectief bij scholing: Onderzoek naar preferenties van werkenden, OSA publicatie A 198, ISBN 906566 0321.
Lomwel, A.G.C. van en J.H.M. Nelissen (2003), Wat maakt (bedrijfs)scholing interessant? Praktijkblad Arbeidsvoorwaarden, 7 (no. 9), p. 4-6.
Werkt scholing?Het effect van opleiding en postinitiële scholing op de arbeidsparticipatie en de loonvoet. Contactpersoon: Jan Nelissen In opdracht van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA) is onderzoek gedaan naar het effect van scholing – zowel initiële (schoolse opleidingen) als postinitiële scholing (scholing voor bijvoorbeeld werkenden) – op de arbeidsparticipatie en beloning van mensen. Op het eerste gezicht lijkt meer scholing ertoe te leiden dat mensen vaker deelnemen aan betaalde arbeid en een hoger gemiddeld uurloon ontvangen. Nadere analyse laat echter zien dat deze effecten niet zozeer het gevolg zijn van de genoten opleiding, maar veeleer worden bepaald door verschillen in motivatie, doorzettingsvermogen, intelligentie en sociale vaardigheden. Scholing blijkt vooral een instrument om aanwezige aanleg en vaardigheden van mensen te laten renderen. Het bereikte niveau van scholing geeft een indicatie van wat een persoon aan capaciteiten heeft. Op deze wijze heeft het scholingsniveau een belangrijke signaalfunctie voor bijvoorbeeld werkgevers. Het betekent echter ook dat (de roep om) extra scholing niet altijd zinvol is. Bijvoorbeeld daar waar motivatie, doorzettingsvermogen of sociale vaardigheden een probleem vormen. In die gevallen zal eerst aan die facetten gewerkt moeten worden. Publicaties:- Nelissen, J.H.M. en K. de Vos (2006), Werkt scholing? Het effect van opleiding en postinitiële scholing op de arbeidsparticipatie en de loonvoet, OSA-publicatie A291, OSA, Tilburg.
Nelissen, J.H.M. (2007), Scholing alleen werkt niet, Economisch Statistische Berichten, 92 (4511), p. 328-331. 
Wie wil postbezorger worden?Contactpersoon: Jan Nelissen CentERdata heeft in samenwerking met OSA in opdracht van TNT Post onderzoek gedaan naar de relatieve aantrekkelijkheid van diverse pakketten arbeidsvoorwaarden voor postbezorgers. Hierbij is gebruik gemaakt van de vignetmethode, waarbij respondenten uit diverse doelgroepen combinaties van mogelijke arbeidsvoorwaardenpakketten zijn voorgelegd. Op basis hiervan is met behulp van geneste logit modellen geanalyseerd in welke mate (1) diverse onderdelen van het arbeidsvoorwaardenpakket (denk aan type loon, loonhoogte, werktijden, pensioenvoorziening, etc.) en (2) persoonskenmerken van invloed zijn op de kans om postbezorger te willen worden. Het betreffende rapport is niet openbaar. Evaluatie PloegenroosterEvaluatie van een nieuw ploegenrooster bij Trespa International B.V. Contactpersoon: Marike Knoef In september 2007 heeft Trespa International B.V. een enquête afgenomen onder haar werknemers. Doel van deze enquête is het evalueren van de invoering van een nieuw ploegenrooster. CentERdata heeft in opdracht van Trespa International een programma ontwikkeld waarmee de antwoordlijsten van de enquête ingevoerd kunnen worden. Vervolgens heeft CentERdata de data uit de enquête geanalyseerd. We hebben onderzocht hoe het personeel tegenover het nieuwe rooster staat en welke voor- en nadelen de werknemers ondervinden bij het nieuwe rooster. Verder hebben we de mate van consistentie tussen de antwoorden geanalyseerd. Als iemand positief is over één aspect van het nieuwe rooster, is hij/zij dan ook vaak positief over de andere aspecten? Tenslotte hebben we de achtergrondkenmerken van de werknemers aan de antwoorden gerelateerd. We hebben de invloed van verschillende achtergrondkenmerken simultaan onderzocht. Op deze manier kunnen we inzien welke kenmerken leiden tot een relatief positieve/negatieve mening over het nieuwe rooster. Aan de hand van de resultaten heeft Trespa International meer inzicht in de opvattingen over het nieuwe ploegenrooster en de achtergrond daarvan. Op basis hiervan is een goede evaluatie mogelijk. ArbeidsmarktenquêteResultaten arbeidsmarktenquête gepresenteerd op RWI congres. Contactpersoon: Jan Nelissen Hebben arbeidsmarktprofessionals een andere kijk op de arbeidsmarkt dan de doorsnee Nederlander? De Raad voor Werk en Inkomen (RWI) neemt jaarlijks een Arbeidsmarktenquête af onder een groep arbeidsmarktprofessionals. Dit jaar is deze enquete ook afgenomen onder de deelnemers aan het CentERpanel. Zo kan de mening van de Nederlandse bevolking over de arbeidsmarkt worden vergeleken met die van arbeidsmarktprofessionals. De resultaten zijn door CentERdata verwerkt in een onderzoeksrapport dat na afloop van het RWI congres "Duwen en trekken" door RWI aan de deelnemers van het congres is uitgereikt. De rapporten van 2008 en 2009 vindt u in onderstaande links: Rapportage Arbeidsmarktenquête 2008 Rapportage Arbeidsmarktenquête 2009 |